“Denk je misschien dat ik een geestelijk leven heb?
Ik heb er geen, ik ben gebrek, ik ben stilte, ik ben armoede, ik ben eenzaamheid, want ik heb aan het geestelijk leven verzaakt om God te vinden en Hij spreekt luid in
het diepste van mijn armoede…”
(Thomas Merton: In gesprek met de stilte)
Lezing door Rianne Jongstra
1. Het begrip contemplatie
De Karmelitaanse traditie wordt gekenmerkt door een levenslang proces van vorming. Of beter gezegd: van ómvorming. Het leven is als een reis, een innerlijke weg, waarin wij voortdurend op weg zijn naar God als de Geliefde, opdat wij door de Geliefde zelf gevonden en bemind kunnen worden. Het is het hart van de Karmel, dat al haar doen en laten doorgloeit en waar wij - ín het leven zelf - steeds dieper in kunnen doordringen als wij ons door de Liefde ook láten vormen. Omvorming, oftewel contemplatie, is het hart van de Karmel. Dit begrip, wat voor sommigen heel vertrouwd klinkt en voor anderen juist weer niet, willen wij hier wat verkennen om te bezien of wij daarna wat aanzetten kunnen formuleren met betrekking tot karmelitaanse lekenspiritualiteit. Maar eerst: wat bedoelen wij als we het over contemplatie hebben?
U kent ongetwijfeld het nieuwtestamentische verhaal van Martha en Maria, bij wie Jezus op een keer te gast is. Martha loopt zich de benen onder het lijf vandaan, terwijl Maria aan de voeten van Jezus zit. Martha is blijkbaar niet op haar mondje gevallen, want ze gewaagt het tegen Jezus hierover een opmerking te maken. Geheel tegen de verwachting in, blijkt Jezus dan Maria gelijk te geven met de raadselachtige opmerking dat Maria ‘het beste deel’ verkozen heeft. Het voert hier te ver om de tekst te gaan uitleggen, maar spontaan hebben we de neiging om hier enkele conclusies uit te trekken m.b.t. de verhouding tussen actie en contemplatie. Of waarvan wij denken dat met dit laatste wordt bedoeld…
Het lijkt alsof hier met contemplatie bedoeld wordt dat we zitten aan de voeten van de Heer, luisterend en zijn woorden overwegend. Bovendien lijkt het ook, alsof de bijbel ons hier gelijk geeft in de mening dat een leven van gebed en bezinning boven het actieve leven is verheven, ja zelfs hier wat los van staat. Je doet het een of het ander, maar niet iets er tussenin.
Het heeft ook tot op de dag van vandaag geleid tot vreemde uitspraken. Soms klinken ze nog wel eens in de Karmel als er bijvoorbeeld geprotesteerd wordt tegen die lieden die voortdurend ‘aan het bidden slaan’, maar waarvan je je af kunt vragen of ze ook iets doen in maatschappelijk opzicht. Het lijkt dan, alsof het contemplatieve leven iets wereldvreemds is, goed beveiligd tegen alle aardse noden of welk maatschappelijk appèl dan ook. Schijnheiligheid van de bovenste plank. Nee, de èchte karmeliet, die kiest voor de armen, die legt maatschappelijke structuren van onrecht bloot. Gerechtigheid is tenslotte iets van de daad die bij het woord is gevoegd. Kortom, als wij hierin meegaan, zullen wij voorbaat al moeten concluderen dat het contemplatieve leven voor een actieve leek toch niet echt is weggelegd…
Gelukkig zijn dit slechts tijdgebonden varianten op het karmeliet-zijn. In deze bijdrage pogen wij enkele beschouwingen te wijden aan het begrip contemplatie, hopelijk zonder de gekleurde bril op die tot nu toe werd geschetst, en de betekenis hiervan voor de spiritualiteit van leken binnen de orde.
2. De Ratio en contemplatie
Ons vertrekpunt hierbij is de visie van de Ratio, dat Karmelitaans leven als een voortgaande weg van omvorming beschouwt. Met ‘de Ratio’ wordt bedoeld het internationale document ‘Ratio Institutionis Vitae Carmelitanae’. De Nederlandse vertaling is, in beperkte oplage, verschenen onder de titel: ‘Karmelitaanse vorming. Een weg van omvorming’. (Almelo 2002). Omvorming is een proces, dat levenslang plaatsvindt. Het is als het ware de rode draad, die door de karmelitaanse spiritualiteit loopt. Ten diepste is dit een proces, waarin wij in ons eigen leven ruimte maken voor God, aan wie wij ons steeds diepgaander toevertrouwen, en dat een leven lang.
De spiritualiteit van de Karmel wordt zichtbaar in haar Regel, die het karmelleven schetst als een weg om steeds dieper te leven in horigheid aan Jezus Christus om zo tot vereniging met God te geraken. De Regel werd rond 1209 door Albertus, de toenmalige patriarch van Jeruzalem, aan de eremieten die leefden in het Karmelgebergte in het noorden van Israel, als leefwijze gegeven. Eigenlijk was de Regel de bevestiging van hun bestaande leefwijze, maar Albertus deed méér: hij gaf deze godzoekers een leefvorm waarin zij ín een gemeenschap hun eigen indivuele weg naar God konden zoeken. Zo bood de Regel een gezamenlijke bedding om ieders eigen geestelijke weg mogelijk te maken. Eigenlijk was zij zelf niets meer, maar ook niet minder, een beschrijving van de geestelijke weg: een beschrijving van de wijze waarop de mens kan groeien op zijn of haar weg naar vereniging met God. In die zin is zij ook tot op de dag van vandaag voor velen nog zeer inspirerend als een weg van voortgaande vorming, als een wijze om levenslang uitdrukking te geven aan dit mysterie van geraakt zijn door God.
De Ratio legt hierbij de nadruk op het feit, dat deze weg van omvorming van binnen uit gedragen wordt door een contemplatieve houding. Contemplatie, zo stelt de Ratio, is het hart van de Karmel: contemplatie is de ervaring van Godgeraaktheid waardoor wij op de geestelijke weg worden gezet. De Ratio omschrijft dit zo: ‘Hij tilt ons als het ware op, zodat wij er om niet van kunnen genieten dat wij door God bemind worden en mogen leven in zijn liefdevolle tegenwoordigheid’. En zij vervolgt voorts: ‘..de contemplatie is hèt dynamische element dat alle andere elementen (nl. van gebed, gemeenschap en dienstbaarheid) in zich verenigt’.
Een aantal belangrijke aspecten worden hier aangeduid die enkele kanten van de contemplatie laten oplichten.
· Het allereerste wat ons opvalt, dat is de verhouding tussen actie en contemplatie, die in geen enkel opzicht een tegenstelling vormt. Hierover straks meer.
· Contemplatie als de Godsontmoeting is blijkbaar geen momentaan gebeuren. Contemplatie is als het betreden van een weg, die ons doen en laten gaandeweg ‘van God’ laat zijn. Het is een weg, een proces, die God met ons begint om geen enkele andere reden dan de minne zelf. Immers, de liefde bemint om niet, zonder voorwaarden vooraf, omdat zij niet anders kán dan liefhebben.
· Contemplatie is niet iets wat je bedenkt: contemplatie is een ervaring. Het is het ervaren van genegenheid tot in het centrum van je wezen, waar jij ervaart dat je tot je recht mag komen, dat jij er mag zijn. Het is de ervaring van een genadige toewending, of zoals de Ratio het zegt: Hij tilt jou op bovenuit je eigen-machtigheid
· Contemplatie valt je toe. Het is Gods keuze om ons aan te raken, het is Gods liefdevolle toegenegenheid waaraan wij ons mogen toevertrouwen. Contemplatie is dus uiteindelijk geen menselijke constructie of prestatie. Contemplatie speelt zich af in de Intimiteit van de Ontmoeting
· Gods liefdevolle aanraking is zowel begin als einde, alpha en omega van de geestelijke weg. Ik kan mij uitstrekken in liefdevolle verwachting, maar het is de Ander die dit verlangen, dat in mij door die Ander is gewekt, uiteindelijk vervult.
· Contemplatie als de ervaring van de allesovertreffende liefde van God verandert je fundamenteel. Of, zoals de psalmist zegt: ‘ik ga anders uit Jouw huis dan ik er in gekomen ben’. Zij heeft een blijvend stempel op je ziel gedrukt en kleurt in het vervolg al je doen en laten.
· Dit brengt ons bij het laatste aspect: contemplatie is niet hetzelfde als nietsdoen. Of enkel bidden. Of de tegenpool van een actief leven. Het loslaten van deze tegenstelling, schept bovendien ruimte om op een andere en dynamische wijze naar de inhoud van beide aspecten te kijken. Contemplatie ís juist de bekleding met Gods eigenschappen en die slechts bestendigd wordt wanneer ze landt in het gewone leven en daar beklijft. Het is het leven zelf, dat van binnenuit omgevormd kan worden – maar dan niet door ons zelf, want God laat zich niet manipuleren
Overigens komt deze tegenstelling niet uit de lucht vallen. Ze kent een lange geschiedenis. Reeds in de hellenistische, antieke wereld werd contemplatie opgevat als het zuiver schouwen van het Goddelijke, van het Zuiver Goede, waarmee men zich wilde verenigen door middel van een ascetisch leven dat zich toelegde op de deugdenbeoefening en op het losmaken uit allerlei beslommeringen die dit tegenhielden.
Het vroege christendom nam dit over, maar mèt de nadruk op de eenheid tussen praxis en beschouwing. Het is de werkelijkheid die geschouwd wordt met Gods ogen. Contemplatie werd gezien als de wijze van schouwen van de geleefde praxis vanuit de goddelijke werkelijkheid. Actie en contemplatie lagen dus heel dicht bij elkaar, in elkaars verlengde. Contemplatie en actie: zij zijn nog onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Dit werd iets later ook gezien als het doel van het monastieke leven: contemplatief en monastiek leven waren zodoende identiek aan elkaar. Het leven zelf was bron van contemplatie, van zien met de ogen van God.
Maar dit beeld van contemplatie als de geestelijke weg verdween toen de moderne tijd vanaf de 15e eeuw aanbrak. Een tijd waarin men vaak terugboog op de oude hellenistische opvattingen. In dit spoor werd contemplatie nu gezien als iets aparts en individueels, als het resultaat van ascetische oefeningen. De nadruk die gaandeweg steeds meer op de ascetische praktijk werd gelegd, leidde er tenslotte toe dat men het zicht verloor op het eigenlijke, namelijk de innerlijke gerichtheid op God, die ons tegemoet komt. God en mens, actie en contemplatie zijn twee totaal verschillende wijzen van beleven van de werkelijkheid geworden. Contemplatie werd als iets aparts teruggedrongen tot het louter schouwen van Gods bewogenheid. Daarmee werd de spanning tussen een contemplatieve leefwijze en het gewone leven van alledag als het ware vanzelf meegegeven.
Wanneer wij nu met onze postmoderne ogen naar de tekst kijken, dan lezen wij deze tegenstelling er bijna als vanzelf ‘in’. Mèt de positieve of negatieve waardering die wij er zelf aan geven…Maar ook dit is goed. Het is goed, dat we ons bewust worden van onze eigen blikrichting, die zo beïnvloed is door de geschiedenis. Het is goed, als we leren zien, dat wij naar onszelf kijken als ‘leken’, die zoeken naar manieren om het actieve en contemplatieve leven in de werkelijkheid van iedere dag met elkaar te verenigen. Of anders geformuleerd: hoe kijken wij heden ten dage, met al die actieve leden, aan tegen contemplatie in het licht van ‘actieve leken’ binnen de orde van de Karmel?
3. Contemplatie binnen de Karmelitaanse traditie
Gezien de diverse aspecten die uit de bovenstaande visie van de Ratio naar voren komen, kunnen we hier in ons verstaan van het begrip contemplatie een begin maken door aan te sluiten bij de vroegchristelijke vorm, die contemplatie beschouwde als het schouwen van de geleefde praxis vanuit de goddelijke werkelijkheid.
Daarin voegen wij ons ook in het spoor van Theresa van Avila en Johannes van het Kruis, voor wie de contemplatie het hart vormde van methodische oefeningen, psychologisch inzicht en praktijkgerichtheid. Kortom, ook Martha heeft nog een kans. Of geldt het ook andersom: is binnen lekenspiritualiteit ruimte voor contemplatie mogelijk? Hoe verhouden beide aspecten, actie en contemplatie, zich binnen lekenspiritualiteit tot elkaar?
Karmelleven betekent het ontwikkelen van een contemplatieve houding om je bestaan steeds dieper in God te grondvesten en je levenswijze hiervan te laten doortrekken. Het is niet verwonderlijk, dat de Ratio dan ook hiermee begint.
Contemplatie, zo zegt de Ratio, vormt het hart van het karmelitaans charisma, zoals dat tot uitdrukking komt in het gebed, in zuster- en broederschap en in dienstbaarheid. Contemplatie is bovenal een weg, die ons steeds dieper naar binnen voert, ‘naar de innerlijke kern van ons wezen, waar Hij woont en waar Hij zich met ons verenigt’.
Voor een goed verstaan van deze weg, gaan wij nu even te rade bij Theresa van Avila. In haar werk ‘De Innerlijke Burcht’, maakt zij gebruik van het beeld van de Burcht voor onze ziel. In het centrum daarvan bevindt zich de koning: God verblijft in de mens als in een burcht. Wij kunnen hem vinden in de kern van ons wezen, in het diepste van ons hart.
Het boeiende nu is, dat Theresa niet bedoelt, dat de weg naar het innerlijk een allerindividueelste emotie, een exlusieve interiorisering van een uitermate prettige persoonlijke gewaarwording is.
Integendeel, de weg naar het innerlijk is de weg naar de ontmoeting met God, die de Schepper van alle leven is. ‘God is in alles en overal aanwezig en wil zich aan ons meedelen’, aldus Theresa. En daarmee is contemplatie iets wat fundamenteel de individuele context overstijgt. Voor haar is contemplatie het ontmoeten van God in de haar omringende wereld, in het leven en de mensen. Daarbinnen is het God die óns tegemoet treedt in een steeds bewustere persoonsontmoeting.
Mystiek maakte Theresa dus bepaald niet wereldvreemd. De weg naar God voert onvermijdelijk langs de weg van de zelfkennis, maar dit brengt ook momenten van crisis en moeilijkheden met zich mee. Contemplatie kan bij tijden dus ook heel onprettig en confronterend zijn.
Ook Johannes van het Kruis verhaalt in het Geestelijk Hooglied over contemplatie als een dorstende ziel die haar Bruidegom vindt, verborgen in het eigen innerlijk - en die de blijvende aantrekkingspool vormt voor de op God verliefde ziel. Contemplatie is voor Johannes van het Kruis een fase in de opgang naar de vereniging met de Geliefde, die voert langs de weg van de ervaring, van de doorleving van deze zoektocht naar de Geliefde. Het is een zoektocht die voorbij het menselijk begrip of de gewaarwording gaat. God is immers verborgen en, zo zegt Johannes: ‘Gij moet hem dienen als verborgen in het verborgene’. Contemplatie is als het zuchten van de verliefde ziel, die temeer de afwezigheid bespeurt omdat zij iets van de genotvolle mededeling van de Bruidegom heeft geproefd’.
Kortom, ook Johannes van het Kruis is niet gespeend van enig realisme. Contemplatie is niet iets wat je ‘doet’. Het is ook lijden aan de afwezige Geliefde als de enige weg om tot de vereniging met de Beminde te geraken. Het is ook beseffen, dat de zoektocht van de ziel langs de weg van de zelfkennis en de onthechting voert om dan, net als bij Theresa, te beseffen dat ‘wat onzichtbaar is in God door de ziel gekend wordt in de geschapen zichtbare en onzichtbare dingen’. In de schepping kan Gods grootheid worden ontwaard. Zo wordt de ziel, langs de weg van de meditatie en de contemplatie doorheen de werkelijkheid naar de vereniging met haar Beminde gevoerd.
4. Contemplatie in de werkelijkheid van alledag
Maar het zijn niet slechts de grootheden in de verre geschiedenis van de mystiek, die voor ons een licht werpen op contemplatie. Evelyn Underhill, geboren in 1875 in Wolverhampton, Engeland, voert ons in haar boekje ‘Praktische mystiek voor nuchtere mensen’ geleidelijk in in de mystiek, die zij beschouwt als het contact maken met de realiteit zoals zij werkelijk is – in plaats van onszelf te verliezen in de beelden en ideeën die wij zelf maken óver de werkelijkheid. Mystici zijn mensen die zien, dat hun leven deel uitmaakt van een groter geheel – en zich daarover mateloos verwonderen.
Dat is een vermogen dat ieder mens bezit, we leggen ons er alleen niet altijd op toe. Maar het kan wel. En hierin volgt Evelyn ook Theresa en St.Jan, wanneer ze aangeeft, dat de weg van de contemplatie enige voorbereiding vergt, namelijk ‘het verzamelen van jezelf’: tot innerlijke rust komen door je hier daadwerkelijk op toe te leggen. Dan is het mogelijk de weg van de contemplatie in te slaan, niet door iets anders te gaan doen of zeer spirituele overwegingen in te voeren, maar slechts door anders te kijken naar de werkelijkheid, die op een steeds dieper niveau kan worden waargenomen. En waardoor jij zelf ook verandert, heel geleidelijk. Contemplatie begint eigenlijk dan heel gewoon, dicht bij jezelf. Het is niet nodig om gelijk een extatisch, bovenzinnelijk avontuur te beginnen of een ingewikkelde leer te volgen. De weg naar God voert doorheen de werkelijkheid zelf, waarin we geleidelijk aan de schoonheid ervan leren zien en waarmee we geleidelijk aan leren meegeven – onszelf loslaten om vrij te zijn en je persoonlijkheid te laten vormen. “Jouw opengaan en Zijn binnentreden,’ zegt de mysticus en theoloog Eckhart, ‘zijn één en hetzelfde moment’. Als je je eigen vooropgezette beelden en ideeën loslaat, dan kan de werkelijkheid zich laten zien zoals zij ís. ‘Een praktischer bezigheid bestaat er niet’, aldus Evelyn Underhill. Maar dan begint het ook pas echt. Het besef dat God de wereld gemaakt heeft, is nog iets anders dan ervaren dat God de wereld liefheeft, met alles erop en eraan, haar vreugde en verdriet, misère en hoop: alles is de vrucht van Gods liefde. Daarom, hoe meer we iets liefhebben, hoe waarachtiger het aan ons verschijnt. De materie opvatten als iets slechts is dus bij voorbaat al een godslastering. Van belang is om de dingen te zien ‘zoals zij in God zijn’.
Maar ook dan zijn we er nog niet. Ook Theresa’s ‘Innerlijke Burcht’ kent hierna nog enkele verblijven. Want tot hier voert de contemplatie ons tot de werkelijkheid langs de weg van het brandende verlangen, het vasthoudende zoeken, het turen in de nacht, van het dorstige reikhalzen. Maar het is nog steeds óns verlangen, zoeken, turen en reikhalzen – waarvan we op een gegeven moment het failliet ervaren. Uiteindelijk voert de reis langs het besef van de absolute onmacht van de spirituele voldoening zèlf – om te beseffen dat er niets anders rest dan de overgave zèlf in de ervaring van genadige toewending, van bewaring in het Leven zelf. Om met een beeld van Theresa te spreken: ‘tot dusverre heb je de tuin van de geest met de hand besproeid, maar nu jou de gieter is afgenomen, ben je afhankelijk van de regen – overvloediger en vruchtbaarder dan al je eigen inspanningen. Het is het bewustzijn van de Werkelijkheid zelf die alles insluit, overstijgt en voltooit wat we zelf konden bedenken – zonder dat we ooit zullen weten wat dit is.’ Het is een reis door het leven zelf. Geen lineair proces, iets wat je stap voor stap bereiken kunt, maar een steeds dieper bewust en ontvankelijk worden voor Gods Aanwezigheid
‘En nu dan?’, vraagt een gezond mens zich dan af. ‘Wat nu? Was dit het dan? Wat is het nut voor mij: al die mooie praat?’ Het lijkt alsof deze vereniging tussen de ziel en God het uiteindelijke ultieme doel is, waarna niets meer bestaat. Terwijl jij nog steeds het gewone leven leeft. En zo is het ook. Alleen anders. Want jouw inzicht in, je band met het bestaan is fundamenteel veranderd en verdiept. Niets is meer vanzelfsprekend, maar ook niet meer van jou afhankelijk. Of jij van de dingen, van de wereld om je heen. Want in de werkelijkheid van het leven kun je nu steeds dieper Gods Zelfgave ontwaren, waardoor jouw kijk op het leven voorgoed is veranderd. Alles bestaat dankzij de Minne. Je kijkt naar het leven met de ogen van God. En ook je handelen is doordrongen van jouw ontmoeting met de Ander.
Contemplatie is dus geen doel in zichzelf. Integendeel: het is de bron van een actief en creatief leven. Evelyn Underhill neemt hierin geen blad voor haar mond. Contemplatie is pas waarachtig als het doordringt tot ín je handelen: ‘Dit is dus jouw roeping; een roeping die zóveel verschillende uitdagingen biedt dat het bijna onmogelijk is dat je niets te doen zou vinden. Het is jouw taak om binnen de wereld van tijd en ruimte dat werkelijker leven, die heilige creatieve energie te realiseren welke daar in het algemeen thans niet opgemerkt wordt. Dat kan misschien grote, heldhaftige initiatieven inhouden, of wellicht alleen kleine daden op het veld of de markt, in de tram of de metro, het kantoor of de woonkamer – kortom, in het onophoudelijke geven-en-nemen van het alledaagse bestaan. Je zult je inzetten voor genade, ordening, schoonheid, betekenis; heelmaken wat gebroken is, helpen waar nodig is…. De praktische kant … bestaat uit het brengen van de Werkelijke Aanwezigheid uit het verborgene, om haar aan andere mensen te tonen.’(Evelyn Underhill: Pg.132)
Het is hier, dat wij heel dicht aansluiten bij het vroege christendom waarin contemplatie werd gezien als de wijze van schouwen van de geleefde praxis vanuit de goddelijke werkelijkheid. Of, in modernere bewoordingen, contemplatie is een houding van steeds aandachtiger leven, opdat wij steeds dieper kunnen ervaren dat ‘Niets… mooier is dan de werkelijkheid’.
5. Contemplatie en het Ingroeitraject van Karmelbeweging
Nu wij het begrip contemplatie van diverse kanten geschouwd hebben, kunnen we nu de overstap maken naar contemplatie in relatie tot lekenspiritualiteit. Het ingroeitraject (het proces van vorming t.b.v. de groei naar lidmaatschap van Karmelbeweging) geeft een viertal aandachtsterreinen aan, die – als we de Ratio volgen – contemplatie tot basis heeft, en welke wij derhalve ieder kort vanuit dit oogpunt zullen bekijken. Alleen bij het laatste zullen wij iets langer stil blijven staan.
1. Gebed, lectio divina.
De geschiedenis heeft vaak het gebed gelijkgesteld aan contemplatie. Denk maar even terug aan het verhaal van Martha en Maria. De Ratio echter haalt beide los van elkaar en benoemt het gebed in het spoor van Theresa als ‘de deur tot contemplatie’. Maar dan is het wel de bedoeling om met aandacht te bidden, zegt Theresa in het 1e hoofdstuk van de ‘Innerlijke Burcht’. Hiermee bedoelt Theresa het loslaten van de duizend en een dingen waar we ons meestal mee bezig houden en ons waarlijk richten tot God. Dit is het moment dat wij kunnen binnengaan in de ziel en de innerlijke weg van contemplatie kan beginnen. Contemplatie komt niet uit de lucht vallen: je zult je er ook op moeten toeleggen.
2. Het persoonlijke levensverhaal.
Vanuit Karmelitaans oogpunt kan jouw levensweg een geestelijke weg vormen, wanneer het ‘aandachtig’ geleefd wordt. Contemplatie is, gezien we tot nu toe hebben gehoord, geen wijze van leven die aan het leven zelf wordt toegevoegd. Integendeel: het is het ontwikkelen van een houding die naarmate je vrijer wordt van beelden en verwachtingen die jij hebt van het leven, je ontvankelijkheid voor de Ander wordt vergroot – ín de werkelijkheid van het leven wel te verstaan. ‘Heb lief en doe wat je wilt’, sprak de wijze Augustinus. Of, zoals de Ratio zegt: ‘.. kijk naar de wereld met Gods ogen..’. Contemplatie ín actie en omgekeerd…
Dienstbaarheid aan de samenleving, jouw levenswijze is de uitdrukking van de ervaring van Bewaring: zij vormt de binnenkant van ons handelen en omgekeerd vormt zij ons handelen om tot bewarend handelen. Zo bezien vormt contemplatie de binnenkant van het eigen levensverhaal, van de levensstaat waarin jij leeft.
3. Gemeenschap.
De Ratio is hierin zeer uitgesproken: ‘wij zijn geroepen om onze contemplatieve roeping in gemeenschap te beleven, niet alléén’. Uiteraard is de Ratio geschreven voor de 1e orde en de wijze waarop ze daarbinnen op authentieke wijze uitdrukking kan geven aan de ervaring van de Godsontmoeting. Dit is een dynamische verhouding: in de mate dat de gemeenschap uitdrukking geeft aan haar Godsverlangen, wórdt zij hierdoor ook opgebouwd.
Hoewel wij als Karmelbeweging verschillen qua leefwijze van de 1e orde, geldt voor ons dezelfde dynamiek. Naarmate wij de Ruimte openhouden die ons innerlijk draagt en voedt, wórden wij ook door het dragende Midden opgebouwd. Alleen in gezamenlijkheid kunnen wij deze open Ruimte bewaren, opdat wij – als Karmelbeweging - bewaard kunnen wórden.
4. Het toe-eigenen van de Regel.
Op dit laatste punt willen wij graag iets nader ingaan. Wat zegt de Regel over contemplatie?
Het hart van de Regel is het hoofdstuk over de wapenrusting Gods opdat ‘Heilige overweging je zal behouden’. Maar ook dan, zo beseft Albertus, blijft de beschouwing een kwetsbaar gegeven, als zij niet behoed wordt. En daartoe, om de contemplatie in het gewone leven in te bedden, pleit Albertus voor ‘het werken in stilte’. Jouw eigen levensweg als geestelijke weg verkrijgt slechts een duurzaamheid in de mate dat zij ingebed is in de stilte. ‘Werk en stilte zorgen er samen voor, dat Gods Zelfmededeling (de wapenrusting Gods) werkelijk landt in het gewone leven. Werken in stilte geeft aan de beschouwing duurzaamheid.’ (Zie: Kees Waaijman: Spiritualiteit. Kampen 2000. Pg.162) Wat is nu bedoeld met die ‘stilte’? En hoe verhoudt zich dit tot lekenspiritualiteit?
Stilte is een aspect, dat vanaf het begin van de Karmelitaanse traditie aanwezig is geweest als een leefwijze ten bate van omvorming in God. Hervormingen in de geschiedenis van de Karmel laten zien, dat men opnieuw de nadruk weer wilde leggen op de liefde voor de stilte als een wijze om de ‘Vacare Deo’ te bereiken. Maar: stilte is geen doel op zichzelf. Ze is ook geen garantie voor een goed geestelijk leven. Ze is hier wèl noodzakelijk voor.
Ook in de psychologie wordt de waarde van de stilte erkend. Zij brengt je tot je zelf en van daaruit kunnen wij de ander ontmoeten. De innerlijke stilte is de open ruimte waarin verbeelding, gedachten en gevoelens tot rust komen – waarin zij zijn zoals ze zijn, maar meer ook niet. In de stilte wordt de verstrooiing tot eenheid gebracht.
Maar, als wij goed naar Theresa, St. Jan en anderen hebben geluisterd, dan is dit de stilte die onze aandacht verzamelt. De ‘geestelijke stilte’ gaat echter nog een laag dieper. Zij gaat verder dan de afwezigheid van woorden en gebaren.
Het is de stilte die voortdurend openstaat naar God – en die de contemplatie mogelijk maakt. Het is deze stilte die uitzuivert, ontbeeldt. Het is God ontdoen van alle emoties en gedachten, alle ideeën en beelden die je op Hem geplakt hebt. Dat ben je namelijk zelf. Dat is God niet. Het is de ‘Donkere Nacht’ van Johannes van het Kruis – opdat wij ons door het Niets kunnen laten omhelzen. In die stilte schouwt God de mens, die verwachtingsvol uitstaat naar de glorie die komt.
Het is de stilte, die de contemplatie bestendigt. Die ons in staat stelt ons aan de werkelijkheid van het leven zèlf te hechten – omdat wij gehecht wórden. Daarom hoeven we ons dus ook niet zo ongerust te maken. Daarom, tot troost en ter bemoediging van degenen die zich zo langzamerhand lichtelijk wanhopig zijn gaan voelen door alle hoogdravende taal van grote mystieken waar wij slechts een kleine afschaduwing van zijn, zullen wij tot slot besluiten met een citaat uit het boekje ‘inwijding in het ongeweten weten’:
‘Blijf daarom zo goed als je kunt met de steun van de genade geheel en onverstrooid geestelijk volharden. En in dit blinde schouwen van je naakt bestaan verenigd met God, moet je, ik herhaal het, alles doen wat je doet: eten en drinken, slapen en waken, gaan en zitten, spreken en zwijgen, liggen en opstaan, staan en knielen, lopen en rijden, werken en rusten. Draag dat dan allemaal elke dag op aan God als het kostbaarste offer dat je kunt brengen. Dat moet het hoofddoel zijn in al je werken en van al je werken, of het nu actief of contemplatief is.’ (Pg. 29)
Je ziet, zelf voor ons eenvoudige lieden, voor al die Maria’s en Martha’s onder ons die zich zo’n zorgen maken over de ingewikkeldheid van het contemplatieve dagelijks leven… Je ziet, uiteindelijk mogen we toch gerust zijn, of zoals onze laatste schrijver zegt: ‘je zult zalig rusten in de liefdevolle vereniging van je ziel met God; en je slaap zal heel zacht zijn.’
________________________________________________________________________
Geraadpleegde literatuur.
1. Ratio Institutionis Vitae Carmelitanae: Karmelitaanse Vorming. Een weg van omvorming. Almelo 2002
2. Joannes van het Kruis: Mystieke werken. Gent 1980
3. Theresia van Avila: Innerlijke burcht. Gent 1982
4. Kees Waaijman: Spiritualiteit. Vormen, grondslagen, methoden. Kampen 2000
5. Kees Waaijman: Psalmen over recht en onrecht. Kampen 1980 (Ps.63)
6. Kees Waaijman: De mystieke ruimte van de Karmel. Kampen 1995
7. Evelyn Underhill: Praktische mystiek voor nuchtere mensen. Baarn 2001
8. Inwijding in het ongeweten weten. Nijmegen 1984
9. Carmelite spiritual directory project: Silence in het Life of Carmel. Melbourne 2001
10. Ingroeitraject Karmelbeweging.
Lezing gehouden door Rianne Jongstra tijdens de
halfjaarlijkse bijeenkomst van de Karmelbeweging in maart 2004.
Top van de pagina